
Waar het ongezegde woorden vindt en geloof begint
Deze dromerige hedendaagse folksong klinkt als een winterlandschap dat aardse beleving en emotionele ervaringen versmelt.
Winterkind ademt de stilte van sneeuw, de kwetsbaarheid van een begin en de trilling van iets dat langzaam ontwaakt. Het is een lied waarin het ongezegde eindelijk woorden mag vinden, en waarin geloof begint op de plek waar beperkingen zachtjes worden ontstegen.
Over geboren worden in de winter.
Ik werd geboren op een winterochtend, met dikke sneeuwvlokken die onverwacht uit de lucht vielen.
Het was 7 december — de dag na het feest van Sint-Nicolaas, de Bisschop van Myra.
Die ochtend was er een heuse sneeuwstorm: de wereld werd in een paar uur bedekt met een dik tapijt van wit.
Dat beeld is me altijd bijgebleven, niet omdat ik het me bewust herinner, maar omdat de verhalen en gevoelens er rond een diepe indruk nalieten.
Mijn begin was er een van tegenstrijdige emoties. Enerzijds was er het jeugdig enthousiasme in mijn omgeving, maar tegelijk ook een ouderlijke stilte en terughoudendheid die ik als kind niet kon duiden.
Het was geen plek waar gevoelens makkelijk uitgesproken werden — eerder een soort winterse stilte waarin je leert jezelf klein te maken en waarin warmte niet vanzelfsprekend is.
En toch: precies in die stille ruimte ontstond iets dat later bepalend zou worden.
Een eerste richting, een innerlijk kompas dat zich uitdrukte in muziek en verbeelding — alsof mijn binnenwereld een eigen taal vond om toch gehoord te worden.
β¨ Waarom Winterkind nu geschreven moest worden
Jaren later merkte ik dat winter voor mij altijd méér betekende dan een seizoen.
Het werd een symbool voor:
-
momenten waarop je je klein voelt
-
periodes waarin het leven lijkt stil te vallen
-
ervaringen waarin je geen invloed had op de omgeving waar je terechtkwam
-
en het verlangen naar licht dat je soms pas veel later leert herkennen
Toen ik de eerste regels van het lied schreef, voelde het alsof ik terugkeerde naar die oerervaring. Niet om ze opnieuw te beleven, maar om haar te herinterpreteren.
Om woorden te geven aan wat toen geen stem had.
Om muziek te maken van iets dat jarenlang bevroren voelde.
πOver december en lichtjes in de bomen.
Het tweede vers van Winterkind raakt aan iets dat we allemaal kennen: onze behoefte om de donkerste dagen van het jaar een beetje lichter te maken.
We steken kaarsen aan, hangen lichtjes in de bomen en fluisteren elkaar wensen toe — niet alleen voor de gezelligheid, maar omdat licht ons herinnert aan hoop.
We voelen instinctief dat het donker niet weg hoeft, maar wel verzacht mag worden.
Omdat we diep vanbinnen weten dat het licht en de lente altijd terugkomt.
π± 3de vers over: "De innerlijke winter"
Het derde vers gaat over een andere soort winter: de winter die je in jezelf kunt tegenkomen.
Dat zijn de momenten waarop het leven niet vanzelf gaat, waar gevoelens bevriezen en woorden ontbreken — wanneer je geconfronteerd wordt met pijn, rouw of iets wat je heeft stilgezet.
Maar juist in die verstilling kan iets veranderen.
Door stil te staan bij wat je verloren hebt, of te erkennen waar je grenzen liggen, ontstaat er een onverwachte beweging.
Het is het moment waarop je jezelf voorzichtig overstijgt, en waar datgene wat ongezegd bleef langzaam een nieuwe betekenis krijgt.

πΌHoe de muziek het verhaal mee draagt
Nadat ik de tekst van Winterkind had geschreven, voelde ik dat de muziek dezelfde beweging moest dragen: van ingetogen, nog onuitgesproken emoties naar klanken die hoop en groei laten horen.
In de verzen koos ik voor een zachte, dromerige begeleiding: akoestische gitaar, lichte handpercussie, subtiele steeldrums en momenten van a capella met mannelijke en vrouwelijke harmonieën. Gefluisterde texturen geven de symboliek van de woorden extra reliëf.
De stijl laat zich het best omschrijven als een hedendaagse folkballade, met hier en daar wereldmuziekinvloeden. In het refrein zwelt de melodie op, alsof er een nieuwe energie doorbreekt — een muzikaal beeld van hoop dat langzaam warmer wordt.